23
Jahweh, Vader en Heer van mijn leven, Laat niet toe, dat ik door hen bezwijk. Wie stelt er een tuchtroede bij mijn verstand, En een wijze regel over mijn hart, Opdat ze mijn fouten niet sparen, En mijn zonden niet verdragen. Anders zouden mijn misslagen zich verdubbelen, En mijn zonden nog talrijker worden; Zou ik bezwijken voor mijn belagers, En mijn vijand zich over mij verheugen. Jahweh, Vader en God van mijn leven, Laat mij toch niet aan hun willekeur over; Laat de hovaardij mijner ogen niet toe, En houd de begeerlijkheid verre van mij; Laat gulzigheid en ontucht mij niet beheersen, En lever mij niet over aan schandelijke hartstocht. Luistert, kinderen, naar de regels over het spreken; Want wie ze in acht neemt, wordt er niet door gevangen. De zondaar laat zich door zijn lippen verstrikken, De lasteraar en trotse komen er door ten val. Gewen uw mond niet aan het zweren; Heb geen gewoonte de heilige Naam te gebruiken. 10 Want zoals een slaaf, die steeds ondervraagd wordt, Niet vrij kan blijven van striemen, Zo zal ook wie zweert en altijd Gods naam noemt, Niet vrij kunnen blijven van zonde. 11 Een man, die veel zweert, is vol zonde; De roede zal niet wijken van zijn huis. Doet hij het lichtvaardig, dan is het al zonde, En houdt hij die eed niet, het is een dubbele zonde; En zweert hij vals, hij blijft niet ongestraft, Want zijn huis zal zich vullen met rampen. 12 Er is nog een spreken, dat gelijk staat met de dood; Mocht het in het erfdeel van Jakob niet worden gevonden! Want van rechtvaardigen blijft dit alles verre; Die wentelen zich niet in de zonde. 13 Gewen uw mond niet aan zedeloos vuil; Want in dergelijke taal ligt zonde. 14 Denk aan uw vader en uw moeder, Wanneer ge te midden van groten zit, Opdat ge u niet bij hen vergete, En door uw gewoonte u slecht gedraagt. Dan zoudt ge wensen, niet te zijn geboren, En zoudt ge de dag van uw geboorte vervloeken; 15 Want een man, die aan liederlijke taal is gewend, Leert het nooit van zijn leven meer af. 16 wee klassen stapelen zonden op, En de derde haalt zich de Toorn op de hals; 17 Een geile ziel is als een brandend vuur, Dat niet wordt geblust, eer het verslonden heeft. Een mens, die onreinheid begaat met zichzelf, Houdt niet op, vóór het vuur is gedoofd. Een ontuchtig mens smaakt alle brood goed; Hij heeft er nooit genoeg van tot aan zijn dood. 18 Een mens, die de trouw van de echt overtreedt, Denkt bij zichzelf: Wie ziet mij? Duisternis omringt mij, de muren houden mij schuil; Geen mens, die mij ziet; wat heb ik te vrezen? De Allerhoogste gedenkt mijn zonden niet. 19 Hij is enkel bevreesd voor de ogen der mensen! Hij denkt er niet aan, dat de ogen des Heren Tienduizendmaal helderder zijn dan de zon; Dat zij alle wegen der mensen overschouwen, En de meest verborgen hoeken doorzien. 20 Vóór het bestaat is Hem alles bekend, En zeker, nadat het volbracht is. 21 Zo een wordt bestraft op de pleinen der stad, En gegrepen, waar hij het niet had verwacht; Voor iedereen wordt hij tot spot, Omdat hij de vreze des Heren niet kent. 22 Zo ook de vrouw, die haar man heeft verlaten, En een erfgenaam van een ander onderschuift! 23 Want vooreerst heeft zij de Wet van den Allerhoogste overtreden, Ten tweede misdreven tegen haar man; Ten derde heeft zij in ontucht echtbreuk gepleegd, En kinderen onderschoven uit een anderen man. 24 Zij zal voor de gemeente worden gebracht, En naar haar kinderen zal men onderzoek doen. 25 Haar kinderen zullen geen wortel schieten, En haar takken dragen geen vrucht; 26 Haar nagedachtenis zal een vervloeking blijven, Haar schande niet worden uitgewist. 27 Zo zullen al haar landgenoten erkennen, En die achterblijven het inzien: Dat er niets beter is dan de vreze des Heren, Niets zoeter dan Jahweh's gebod te volbrengen.